Filosofische verwondering

Gepubliceerd in de nieuwsbrief van het Centrum Kinderfilosofie Nederland (januari 2015)

Afgelopen zomer was ik twee maanden in Duitsland, in Berlijn om precies te zijn. Daar kwam ik met het Berliner Büro für Philosophie und Bildung in contact om eens van gedachten te wisselen over ons vak. Al snel werden een aantal voorbeeldvragen uit de praktijk aangehaald. Warum ist der Himmel blau? Wieso gibt es Wasser und Sand? Woraus ist deine Jacke eigentlich gemacht? Ik dacht bij mezelf: maar wacht eens even, dat zijn helemaal geen filosofische vragen! De (natuur)wetenschap heeft daar toch een antwoord op? Bovendien heb ik dit soort vragen in mijn eigen praktijk altijd als ‘empirisch’ bestempeld, en dus niet geschikt voor een filosofisch gesprek. Mijn Duitse collega’s onderschreven dit weliswaar, maar voegden eraan toe dat een startvraag helemaal niet filosofisch hoeft te zijn in de eerste plaats. Stap 1 is dat kinderen zich verwonderen om iets vanuit hun eigen belevingswereld.

Afhankelijk van de leeftijd komen kinderen dan inderdaad vaak met wetenschappelijk getinte vragen. Hoe is de aarde ontstaan? Wat was er eerder; de kip of het ei? Etc. Het zijn in de eerste plaats geen filosofische vragen, we kunnen ze immers niet vanuit onze eigen ervaring benaderen. Maar, ze spelen wel bij kinderen, en daarom zijn ze cruciaal in de aanzet tot denken. Empirische vragen zijn dus in feite heel goed voor een filosofische gesprek. Waar het om gaat is dat de filosofiedocent het gesprek zo leidt, dat er uiteindelijk een filosofische kwestie naar voren komt die verder uitgediept kan worden. Geen plant op tafel dus, en vragen of planten kunnen denken, maar vragen wat de kinderen bezighoudt! Geen voorbereiding, maar herkenning van wat potentieel filosofisch zou kunnen zijn, dat staat centraal in deze aanpak. Waar verwondert het kind zich op dit moment nou écht over? Dat kunnen wij vaak niet voor ze invullen en misschien moeten we dat ook helemaal niet willen.

Geïnspireerd door deze methode ben ik bij terugkomst direct ermee aan de slag gegaan. Eén van de vragen die in mijn bovenbouwgroepje naar boven kwam was: “hoe is tijd ontstaan?” Normaliter zou ik meteen de vraag omgebogen hebben naar “wat is tijd?” – aangezien de initiële vraag aan de hand van historische tijdsmeters waarschijnlijk goed te beantwoorden is –, maar in plaats daarvan liet ik het zoals het was en zei ik: “Wat een interessante vraag! Hoe kom je daar zo op?” “Nou, ik sta weleens onder de douche daarover te denken en dan merk dat ik daar helemaal geen antwoord op heb!” Al snel reageerde een ander: “Maar tijd bestaat toch eigenlijk helemaal niet! Dat hebben we zelf bedacht.” Waarop iemand anders weer zei; “Ja maar stel dat tijd er niet geweest was, zouden dag en nacht dan nog wel bestaan?”

En voilà, zo werd het, zonder dat ik me bemoeid had met de formulering van de startvraag, al snel een filosofisch gesprek. Niet over wat tijd is, maar over het al dan niet bestaan van de tijd. De regie daarover bleef in handen van de kinderen, die zich daardoor serieus genomen voelden en extra gemotiveerd waren om mee te doen. En hier gaat het om bij deze werkwijze. Niet om de alwetende docent die wel even bepaalt wat wel en niet geschikt is; die hebben ze de hele dag al voor hun neus – met dank aan het beroerde, eendimensionale onderwijssysteem van nu.

Bij filosoferen met kinderen op deze manier is het gesprek (nog meer) van de kinderen, de startvraag incluis. De docent hoeft in feite alleen maar alert te zijn: door het stellen van de ‘juiste’ verdiepingsvragen op het ‘juiste’ moment – iets wat nog een hele klus is! Maar hij/zij hoeft het gesprek in ieder geval niet te initiëren, dat is uitstekend besteed aan de kinderen. Bovendien stelt het ons in staat om ook echt voor de klas te denken, dat kunnen we in dit geval immers niet meer voorbereiden en veinzen.

Daarmee is niet gezegd dat het altijd en voor iedereen tot een succes zal voeren, iedereen zal per slot van rekening zijn eigen voorkeur hebben voor een aanpak. Het zelf bedenken van filosofische vragen kan bovendien ook heel goed werken. Maar voor diegenen die nog nooit op deze manier een filosofische gesprek begonnen zijn, is het beslist de moeite waard om eens mee te experimenteren.

Dit alles wil overigens ook niet zeggen dat het helemaal geen ruimte laat voor het zelf kiezen van thema’s. Zelf neem ik graag muziek als vertrekpunt, maar de kinderen bedenken voortaan een vraag. “Wordt de eend gered?” vroeg iemand uit mijn onderbouwgroepje naar aanleiding van een passage in het muzieksprookje Peter en de Wolf van Prokofiev. “Ja! Hij kan toch ademen in de maag van de wolf?” “Nee!” zei weer iemand anders, “als hij opgegeten is, dan is hij dood en een dode eend kun je toch helemaal niet redden!” Nou... Daar hebben we nog eens even goed over na moeten denken!